Uitsnede van de kaart van Verhees uit 1791 met daarop een afbeelding van de molen.

Francis het 11 jarige zoontje van Thomas Hendrick van den Bogaard en Elisabeth Jansen Schenckels heeft een zakje met voederkoren gebracht bij de molen met de bedoeling dit te laten malen. Enkele dagen daarna komt de jongen terug om het meel op te halen. Onoplettendheid kost de jongen zijn leven, onderstaand het trieste relaas dat ik gevonden heb in het Veghelse archief.

R94, fol. 274v (13-2-1709) 

Voor schepenen van Veghel verschenen Michiel de Gunster en Anthonij Spierincx (de peetoom van Francis), “chirurgijns” van Veghel, om op verzoek van de Hoog Edel Welgeboren en Gestrenge
Heer Johan Rabo Keppel, Hoog- en Laagschout van de stad en Meierij van ’s-Hertogenbosch een verklaring af te leggen. Ze verklaren “dat sij hebben gevisiteert het doode lichaem van Francis, soone Thomas Henrickx op den 11e deser loopende maent februarij 1709 overleden. Ende bevonden dat kin ende kaackbeenen tot morsel sijnde gefractueert, den neck gebroocken, hetwelck de doot heeft gecauseert. Ende verclaeren wij schepenen bovengenoemt hetselve alsoo gesien ende gevoelt te hebben.”
 

R94, fol. 275 (12-2-1709) 

Voor schepenen van Veghel verschenen Gijsbert van der Linde, “molenaer alhier”, ende Gerrit Drossardts “desselfffs knecht”, oud ongeveer 24 jaren en 20 jaren, om op verzoek van de Hoog- en Laagschout een verklaring af te leggen. De eerste deponent verklaart “dat Francis soone Thomas Henrickx, oudt ontrent elf jaeren, op den elfden maent februarij 1709 is gecomen hem tegen bij het molenhuijs, aen hem deponent vraegende of het voederkooren gemaelen was. Dat hij deponent daerop antwoorde, “ja”, dat het gemaelen was, dat hij soude de knecht op de molen sijnde soude roepen, die soude het hem wel afgeven. Dat ontrent een moment hier naer den deponent van sijn huijs naer den moolen is gegaen ende den voors(creven) Francis vinden leggen opte werf onder de roeden op sijnen mont met het sackie nevens hem en een klompie van de voet. Siende dat het hem nog eenigsints beweegde, heeft hetselve opgetrocken, ende sach door het sijn mondt bloede ende aengesproocken hoedanigh hij dat gekregen mogte hebben, doch geen tael van hem konnende krijgen, heeft sijn vader ende moeder daer bij geroepen. Verclaert hij deponent verders niet gesien of gehoort te hebben door wat voorval hij dat heeft gekregen, dan sustineert niet anders dat heselve door een slach van de roeden is geschiet vermits den molen in ganck.
 

Ende verklaert den tweeden deponent als dat ten voors(creven) daege omtrent de klocke twaelf uren opten molen is gecomen Francis soone Thomas Henrickx, vraegende aen hem deponent naer sijn voederkooren, ofte het gemaelen was. Dat dep(onen)t antwoorde dat hij dat niet en wist. Dat hij daer wederom tegens antwoorde dat den baes hem geseijt hadde dat het gemalen was. Dat hij daerop socht en seijde: “Hier heb ick mijn sackie”. Dat hij het selfs met den reep afliet, ende doen van den molen af is gegaen. Ende dat naer een weijnig tijt daer naer sijnen baes is gecomen. Ende heeft hem deponent toegeroepen dat hij soude afkomen, dat het voors(creven) kint daer lach. Ende afkomende heeft gesien dat het voors(creven) kint daer lach, soo als den eersten deponent heeft verklaert. Ende verklaert oock niet gesien te hebben door wat voorval hetselve kint daer also is gequest geworden. Dan kan niet anders sustineren als dat het door een slach van de roede is soodanigh gequest geworden.”