Rechtbank Den Bosch Toegang 24 invoer 364 rolnr. 54
Terechtzitting van den 12 februari 1901.
Dagvaarding van 23 januari 1901 tegen Marinus Johannes van den Bogaart 28 jaren koetsier geboren en wonende te Lith (Gedetineerd).
Koepelgevangenis Breda
Beklaagd ter zake dat hij op 5 januari 1901 te Oss, een zak inhoudende zevenhonderd zestig gulden aan zilvergeld, althans omstreeks dat bedrag, eigendom van den Notaris Frijlinck te Lith althans van een ander dan hem, beklaagde heeft weggenomen, met het oogmerk zich dien zak met inhoud wederrrechterlijk toe te eigenen; althans dat hij ten tijde en ter plaatse voormeld opzettelijk vorenbedoelden zak met geld die hem met andere door of namens dien Notaris was ter hand gesteld om dien in het door dezen gebruikt wordend rijtuig te plaatsen wederrechterlijk zich heeft toegeeigend door terwijl hij dien met voorzegd doel in handen had of onderzijn berusting genomen dien zich tot te nemen en daarover als heer en meester te beschikken.
Gehoord den Officier van Justitie in zijn requisitoir etc. eis gevangenisstraf van één jaar met vrijspraak van hetgeen hem meer of anders bij de dagvaarding is ten laste gelegd.
Gezien het proces-verbaal der terechtzitting van 5 februari 1901 en de verdere stukken van het geding. Nadat ieder Rechter zijn gevoelen etc. Overwegende dat ter terechtzitting is voorgelegen een bevelschrift dezer Rechtbank waarbij deze tegen de beklaagde is verwezen naar de etc. de navolgende getuigen onder eede uit eigen waarneming hebben verklaard:
Notaris Frijlinck:
Dat hij 5 januari j.l. te Osch in de herberg van de Haan zitting hield ter inning aan pachtpenningen, dat het geinde zilvergeld in vier dichtgebonden linnen zakjes is gedaan die op hun beurt in een grooten linnen zak werden gesloten en die groote zak door den beklaagde die den getuige als koetsier met zijns vader rijtuig van Lith naar Osch had gereden, omstreeks 3 uur namiddag uit de gelagkamer is gedragen naar het voorgemelde herberg staande rijtuig dat getuige Frijlinck, Hendrik Zaandijk en Hendrik Schouten ongeveer 4 minuten na beklaagde de gelagkamer hebben verlaten en de beide eersten den groote zak in het rijtuig vonden liggen dat de beklaagde de getuigen Frijlinck en Zaandijk onmiddelijk naar Lith heeft gereden en in Lith den grooten zak uit het rijtuig en het kantoor van getuige Frijlinck heeft gedragen dat 's avonds ongeveer half acht een der vier zakjes uit den grooten zak werd vermist dat dit zakje dat met een stempel was gemerkt den 11 januari door beklaagdes vader ongeopend bij getuige Frijlinck is teruggebracht dat het met mest was bevlekt en hfl 716,-- inhald, dat de beklaagde getuige Frijlinck reeds sinds jaren als koetsier heeft gereden en den beklaagde geregeld op zitdagen de zak met het geinde zilvergeld werd toevertrouwd om hem naar en uit het rijtuig te dragen; dat hij het ter terechtzitting aanwezige zakje als het vermiste en teruggebrachte herkent.
Hendrik Zaandijk:
Eensluidend met den eersten getuige.
Maria Oliver, huisvrouw van Adrianus de Haen: dat zij op 5 januari j.l. te Osch omstreeks 3 uur namiddags den beklaagde heeft geholpen een grooten linnen zak met geld uit de gelagkamer van haarmans herberg naar het voorstaand rijtuig te dragen, dat beklaagde in het rijtuig stapte, kussens op zijde legde en een bak in een der banken opende, dat zij getuige daarop naar binnen ging waar zij getuige Frijlinck met Zaandijk en Schouten vond, dat deze drie personen nog een paar minuten binnen bleven dat zij den beklaagde, die een goeden borrel op had alleen in het rijtuig achterliet.
Overwegende dat de beklaagde ter terechtzitting bekende op 5 januari j.l. te Osch een linnen zak met geld uit de gelagkamer van de Haen's herberg te hebben gedragen naar het voorstaande rijtuig waarmee hij getuige Frijlinck weer naar Lith zou rijden, dat die zak bij het neerlegen vanzelf openging en hij een der vier met geld gevulde zich daarin bevindende zakjes met het plan het voor zich te houden in een bank onder een der banken legde, dat hij den grooten zak weer gesloten heeft een paar minuten daarna nadat de 2 eerste getuigen waren ingestapt, naar Lith is gereden en te Lith aangekomen dien zak in het kantoor van getuige Frijlinck heeft gedragen, dat hij thuis gekomen het kleine zakje uit den bak heeft genomen neergelegd bij de mestvaalt en naderhand in een weide verborgen; dat hij toen hij op 11 januari j.l. werd gearresteerd het zakje nog niet bij notaris Frijlinck had teruggebracht, dat hem geregeld op zitdagen het ontvangen zilvergeld werd toevertrouwd om het in en naar het rijtuig te dragen dat hij het ter terechtzitting aanwezige zakje herkent als het zakje dat hij met zijne inhoud tot zich nam en verborg.
Overwegende dat de beklaagde het bewuste zakje tot zich nam toen hij het te Osch in een bak onder een bank van het rijtuig legde en hij op dat oogenblik den grooten zak met zijn inhoud nog onder zich had krachtens de stilzwijgende opdracht van getuige Frijlinck dien zak naar het rijtuig dragen en daarin neer te leggen. Overwegende dat mitsdien door bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de beklaagde op tijd en plaats in de dagvaarding vermeld opzettelijk een zak inhoudend omstreeks hfl 706,-- eigendom van den Noratis Frijlinck te Lith die hem door dien notaris was ter hand gesteld om dien en het door dezen gebruikt wordend rijtuig te plaatsen wederrechtelijk zich heeft toegeeigend door terwijl hij dien met voorzegd doel in had dien tot zich te nemen en daarover als heer en meester te beschikken misdrijf strafbaar in gevolge art 321 Wetboek van Strafrecht. Rechtdoende in Naam der Koningin verklaart beklaagde schuldig aan verduistering.
Veroordeelt de schuldigverklaarde tot eene gevangenisstraf van zes maanden.
Spreekt den beklaagde vrij van hetgeen hem bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomgen, als zijnde dat niet rechtgeldig bewezen. Beveelt de teruggave aan het als overtuigingstuk gediend hebbende in beslag genomen zakje aan notaris Frijlinck aan wie het wederrechtelijk is ontrokken renv. goed acht dagen nadat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. Beveelt zijne gevangenhouding op dezelfde gronden als die tot zijne inhechtenis nemens hebben geleid.
Marinus Johannes zit van 27 februari tot zijn vrijlating op 26 augustus 1901 in de strafgevangenis van Breda.